Het huis

  • Gepubliceerd op 31 januari 2014 om 18:57

Het statige huis lag aan het eind van de oprijlaan, net in de bocht. Het was een oud huis van donkere steen met drie verdiepingen. Er waren hoge ramen met markiezen en achter die vele ramen even zoveel bewoners. Bloeiende rozenstruiken stonden aan weerskanten van de monumentale ingang met dubbele glazen deuren.
Josephine de Waard zag dit allemaal vanuit de auto, terwijl haar dochter Isabel over de oprijlaan reed. “Je zult eens zien hoe fijn je hier in het zonnetje kunt zitten, mam,” zei Isabel, al wijzend naar het zitje in de rozentuin. Josephine keek ernaar en antwoordde nog even niet. Ze moest er niet aan denken om daar te zitten met al die oude mensen. Ze zuchtte even, maar zo dat Isabel het niet zou merken.

Haar gedachten gingen terug naar de tijd toen ze nog een meisje was. Ze lag samen met Marie in de bosjes en keek naar ditzelfde huis. Ze hadden de soldaten gezien, die aan kwamen marcheren. Het huis was in beslag genomen, de eigenaar had moeten vluchten en alles achter moeten laten. De grote auto van de kolonel, de mannen die hem begroeten met ‘Sieg Heil’ en hun armen schuin omhoog staken. Het leek een machtig avontuur, daar in die bosjes. Maar eigenlijk was het heel gevaarlijk geweest. Ze hadden niet naar huis durven gaan voordat het donker was, bang om ontdekt te worden. Toen ze eindelijk op durfden staan, waren de lichten in de tuin van het huis aangegaan. Grote schijnwerpers hadden de grasvelden fel verlicht en een mannenstem had “Wer ist da?” geroepen. Marie zei: “Rennen.” Ze hadden gerend, zo hard ze konden. Marie kende precies de weg en Josephine had achter haar aan gerend. Buiten adem waren ze thuis gekomen. Haar ouders waren heel erg boos geweest en vader had haar huisarrest gegeven. Wie dacht ze wel die ze was, om zo maar de avondklok te negeren?
Het huis was het hoofdkwartier geworden, mannen uit het dorp hadden er gevangen gezeten, vrouwen hadden het schoon gehouden en Duitse laarzen stampten al die tijd over de marmeren vloeren.
De oorlog had een enorme stempel op Josephine en haar familie gedrukt. Eten werd schaars, net zoals zeep en kleding. Het had gemaakt dat Josephine altijd zuinig was met voedsel en nog geen boterham kon weggooien. Ook spaarde ze de zeepjes die je in hotels kreeg, ze had schoenendozen vol. De oorlog die al zo lang geleden was, kwam steeds vaker terug in haar gedachten en haar dromen.
Na de bevrijding had het huis jarenlang leeg gestaan, niemand wilde er wonen. Het huis was vervallen geraakt. Ramen waren ingegooid en de tuin was overwoekerd.
Uiteindelijk was het een verzorgingshuis geworden, van alle gemakken voorzien. Hier moest ze even schamper om lachen. Van alle gemakken voorzien, ja, dat klonk heel mooi, maar het was niet hetzelfde als thuis.

Josephine keek opzij naar het gezicht van haar dochter. Isabel had de auto voor de ingang geparkeerd en draaide zich naar haar moeder. “Het valt niet mee, hè, mam?” zei ze. “Ik weet best dat het moeilijk is, maar het kan niet anders. En dit is een mooi huis. Je zult eens zien hoe aardig ze hier zijn. Nu word je goed verzorgd en hoef ik niet meer bang te zijn dat ik je op een dag op de grond zal vinden. Gevallen. Terwijl je niet meer bij de telefoon kunt komen. Er zijn ook clubjes hier, dan kun je bridgen of knutselen en er zijn muziekavondjes. Voor je het weet ben je hier gewend en heb je spijt dat je het niet veel eerder hebt gedaan.”
Josephine luisterde naar haar dochter, die de hele dag hard gewerkt had. Ze had de weinige spullen die meekonden uit Josephines huis, verhuisd naar de nieuwe kamer in Swaenestaete, het verzorgingshuis. Josephine wilde hier nog helemaal niet naar toe. Maar ze kon niet op tegen haar dochter en zoon, die vonden dat het thuis niet meer ging. Josephine vond zelf dat het nog prima ging, maar ook de huisarts was komen zeuren. Uiteindelijk had ze maar toegegeven. Veel te snel was er een plekje vrijgekomen in Swaenestaete. Haar mooie huis stond te koop en haar kamer in het verzorgingshuis was ingericht. Eén kamer, terwijl ze een heel huis gewend was. Josephine zuchtte opnieuw en slikte de tranen weg. Ze had nooit naar een verzorgingshuis gewild en zeker niet naar dit huis. Het liefst was ze vanuit haar eigen huis begraven. Maar er was geen weg meer terug, vanaf nu zou dit haar huis zijn. Ze stapte met hulp van haar dochter uit de auto. Isabel had haar rollator al neergezet. Ze zag haar dochter bezorgd naar haar kijken. Ze hoopte dat Isabel niet had gemerkt hoe ze worstelde met de voorstellingen uit het verleden. Dit verleden moest ze achter zich laten, de Duitsers waren hier allang niet meer, hun schaduwen waren verdreven.

Dapper toverde ze een glimlach op haar gezicht.
“Kom, kind, dan gaan we naar binnen,” zei Josephine. Samen liepen ze naar de ingang. Op weg naar het laatste station van de treinreis van haar leven: haar kamer in het verzorgingshuis.

4 Reacties op Het huis

  1. Annemarie schreef:

    Wat een mooi verhaal zeg, maar ik voel me gelijk verdrietig….

  2. Hiltje schreef:

    Van een heel huis naar 1 kamer in het verzorgingshuis, mijn moeder heeft het ook heel erg gevonden. Wat heb je het verhaal mooi verwoord en weergegeven wat er dan in een hoofd allemaal omgaat.

  3. Thijs Hoste schreef:

    Waar verhaal. Het leven begint in een boemel en langzaam maar zeker wordt t een sneltrein naar terminus.

  4. Pauline Droog schreef:

    Hè jak, ik voel helemaal met Joshefine mee. Goed geschreven, echt ik heb zin in een boek van jou

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: